• Ronald van Dam en Frank Vischschraper

Reisverslag NBA Finals 2009: LA Lakers-Orlando Magic


Verslag op locatie van de NBA Finals 2009 door Ronald van Dam en Frank Vischschraper, commentatoren voor Sport1.

DINSDAG 2 JUNI 2009: LA & THE BIG APPLE: HERE WE COME... Bericht van Ronald van Dam (vanuit LA)

Dat had erger gekund. Het heeft de NBA behaagd om de crew van Sport 1 voor het verslaan van de NBA Finals 2009 onder te brengen in het Renaissance Hotel op Hollywood Boulevard in Los Angeles. Vorig jaar zaten we in een hotel op de luchthaven LAX, maar dit is het betere werk, sprak hij licht snobistisch. Na een lange reis van dik 18 uur (voordeur tot hotel) zijn we dinsdag meteen maar even om de hoek gaan slenteren, over de stoep met al die sterren. Ik kan u verzekeren, het zijn er nogal veel. Voor mijn gevoel heeft iedere idioot die een rolletje in een B-film heeft gespeeld zo’n ster. Ook nog even staan kijken bij de gala-premiere van Sanda Bullocks nieuwe film, daarna een lekkere burger gegeten (we zijn per slot van rekening in de States) en toen in bed gestort. Klokje rond opblijven is een tough job. Bericht van Frank Vischschraper (vanuit New York) Vliegen om kwart over acht ’s ochtends betekent om vijf uur op Schiphol zijn. Pfoeh….. Maar goed, ik wilde zelf vroeg vliegen om nog zo veel mogelijk aan de dag te hebben, dus: niet zeuren. Ik vlieg vandaag in mijn eentje naar New York voor vijf dagen vakantie en voorpret in The Big Apple en Obama Town; Ton Boot zal op zondag 7 juni rechtstreeks naar Orlando reizen. Samen zullen we voor Sport1 commentaar geven bij de wedstrijden 3 en 4 – en hopelijk ook 5, 6 en 7 – van de NBA Finals 2009. Collega-commentatoren Ronald van Dam en Cees van Rootselaar, en producer Wendy Hendrickx, vertrekken ook vandaag. Maar dan wel op een wat christelijker tijdstip, en rechtstreeks naar Los Angeles. Zij (Ronald & Cees) vormen het commentaarduo voor de wedstrijden 1 en 2.

Na een zo goed als turbulentievrije vlucht veilig geland op JFK Airport. Drie kwartier wachten op de koffers (grrrr…..), customs vertellen dat ik tien pakjes gerookte paling bij me heb voor mijn Amerikaanse vriend Roger Daniels, die ik vorig jaar rond deze tijd ook in de States ontmoette (ambtenaar: “smoked eel… that’s fish, right?”), een uurtje in de onbemande AirTrain en de bemande E Train en dan sta je toch echt in Manhattan, nog altijd het kloppende hart van de Westerse wereld. Eerst even spullen dumpen in het hotel (The Pod in East 51st Street) en dan de stad in. Fifth Avenue, de luxueuze winkelstraat die Manhattan van boven naar beneden zo’n beetje door midden snijdt, is vlakbij en dus mijn eerste doel. Gewoon ff wandelen. ‘Stroll around,’ zoals de Amerikanen dat noemen. Ach, denk ik, ik zit halverwege Manhattan, weet je wat ik doe? Ik loop gewoon even Fifth Avenue af naar het zuidelijkste punt van Manhattan, dan kom ik vanzelf in de buurt van Ground Zero, Brooklyn Bridge en Wall Street, de plek waar de Nederlanders in 1624 hun tentjes opsloegen om het complete eiland twee jaar later voor wat spiegeltjes en kralen over te nemen van nota bene de verkeerde Indianenstam (want op doorreis en niet de vaste bewoners van Manahata). Gewoon even Fifth Avenue aflopen… forget it but! Het is mijn eerste keer in New York en ik kom erachter, voor zover ik dat nog niet wist, dat dit een monsterachtig grote stad is. Acht komma twee miljoen mensen op 790 vierkante kilometer New Amsterdam (of 18,8 miljoen op 17.400 vierkante kilometer, als je alle voorsteden meerekent), die raak je niet even kwijt in een gebiedje ter grootte van het oude Amsterdam. Als ik na twee uur moe ben van het lopen, pak ik de metro om eens wat andere wijken van Manhattan te zien. Zo kom ik terecht in de Lower East Side (lekker rommelig en hip), Chinatown (waar je het gevoel krijgt dat men een halve Chinese stad naar de States heeft getransplanteerd, met alle gezelligheid en bedrijvigheid van dien) en Soho (trendy winkels langs Broadway en de straten daaromheen). Het is dan al avond en het enige dat ik tot op dat moment heb gemerkt van de aanstaande NBA Finals, is het commentaar dat een aardige en sportfanate conciërge van een modewinkel had op de uitschakeling van de Cavaliers in de East Finals: “You know, eleven days off before the Conference Finals, that has cost them. Dey weren’t ready ta fight. The Magic you know, dey was ready to fight.” Ja, de NY Times en de NY Post hebben een paar berichtjes over de absolute climax van het NBA-seizoen, maar het gaat in die kranten toch vooral over de vraag of LeBron James nu zó teleurgesteld is, dan hij misschien wel naar de Knicks komt in de zomer van 2010.

Voor de rest gaat het leven zijn onstuitbare gang in New York City. Wat een onvoorstelbare hoop mensen (het lijkt wel alsof iedereen boven en onder de grond continu probeert niet tegen een ander op te botsen), wat een enorme hoeveelheid Metropolis-achtige wolkenkrabbers, wat een klamme warmte, wat een hoop auto’s en wat een hoop uitlaatgassen. Gelukkig hoef ik hier niet permanent te bivakkeren, maar wat een fascinerende stad. Op de weg terug loop ik nog even langs de (inmiddels gesloten) NBA Store op Fifth Avenue, die maar een paar honderd meter van mijn hotel verwijderd is. De prachtige verlichte etalage staat helemaal in het teken van de Finals. Etalagepoppen dragen alle versies van de officiële Lakers- en Magic-tenues, een groot bord laat middels een bracket het verloop van de complete NBA Playoffs zien en actuele persfoto’s tonen de viering van de Westelijke en Oostelijke titel door de beide finalisten, alsmede schitterende acties van de heren supersterren Kobe Bryant en Dwight Howard. Morgen kom ik hier zeker terug om de stemming te peilen. En ik weet nog wel een paar andere plekken ook waar de NBA Finals ongetwijfeld het gesprek van de dag zijn. Maar daarover later meer.

Gezien in The NBA Store: de boot waarmee Shaquille O'Neal de Hudson is overgevaren.

WOENSDAG 3 JUNI 2009: THE DAY BEFORE THE FIRST DAY Bericht van Ronald (vanuit LA) De woensdag staat in het teken van de accreditaties ophalen en het opnemen van een stand-upper voor wedstrijd 1. De passen zijn snel geregeld, dus op naar de training. Eerst het laatste half uurtje van de Lakers, waarbij Kobe voorop gaat in de suicides. Die wil echt kampioen worden, dat zie je aan alles. Maar ja, hoe gaat LA het eenpersoonssloopbedrijf Dwight Howard en tegelijkertijd de schutters van Orlando (Turkoglu, Lewis, Lee, Alston, Pietrus) afstoppen? De Magic is een lastig in te schatten ploeg. Hebben ook niets te verliezen. De opkomst van Howard, als de Magic-spelers aan de beurt zijn, is prachtig. Gehuld in een strak mouwloos shirtje komt hij met een brede grijns het veld op en applaudisseert voor zichzelf. Die neemt zijn Superman-act erg serieus. Als pers mag je twee stukjes van de trainingen meepikken en tussendoor is er nog gelegenheid om spelers te interviewen. De mindere Goden zijn het makkelijkst te benaderen. Zo krijg ik de kans om Sasha Vujacic, J.J. Redick, Anthony Johnson en Mickael Pietrus wat vragen te stellen. Laatstgenoemde is een grappige gast. Gevraagd naar de juiste uitspraak van zijn achternaam zegt hij: ‘Sssssssssh’. Dus niet Pee-trus, maar Pjet-trusssssss. Weten we dat ook weer. De stand-upper (vaktaal voor een presentatie) nemen we buiten voor Staples Center op. Twee takes, beetje plakken en knippen (dat doet producer Wendy) en we hebben een mooi begin voor wedstrijd één. Analist Cees van Rootselaar – u weet wel, die veelvoudig kampioen en dito international uit Den Helder – koopt en passant de Lakers fanshop meteen maar leeg. We zijn er nu toch, en het is nooit te vroeg om te shoppen. Al met al een productieve dag in LA. Let The Finals begin. Bericht van Frank (vanuit New York) Ondanks de korte nacht voor mijn vertrek naar New York, de lange eerste dag die ik heb gedraaid met die extra zes uur van het tijdverschil met Nederland, en het feit dat ik kan bijslapen, word ik toch om zes uur wakker. Ik moet kennelijk weer mee in de vaart der volkeren die heerst in Manhattan’s Midtown East en daarbuiten. Om half acht zit ik in Starbuck’s alweer aan zo’n fantastische Medium (zeg maar: Monstrous) Caramel Macchiato, begeleid door een al even overheerlijke blueberry scone. Hoe kun je de dag beter beginnen?Ik ben helemaal klaar voor the day before the first day of The Finals. Mijn eerste stop is mijn laatste van gisteren, maar nu toegankelijk: The NBA Store. Wat een fantastisch basketballpaleis. Werkelijk alle NBA-merchandising – van de league en van àlle teams – is er te koop en je kunt er makkelijk een uur of drie doorbrengen. Ik hou het op twee uur, en kijken, kijken, niet kopen is er bij mij niet bij. Ach, kijken natuurlijk wel, maar ook Lakers- en Raptors-spullen aanschaffen voor zoons Sonho (Harlemlakers U10 dit seizoen) en Salomon (Herenmarkt voetbal, maar met een feel voor b-ball), en neefje Sem (die op 5-jarige leeftijd reeds compleet basketballverslaafd is, achter zijn rug en door zijn benen dribbelt, vanaf ‘s ochtends zeven uur de basket in zijn slaapkamer onder handen neemt en ijs en weder dienende over tien jaar de schrik zal zijn van het jeugdbasketball in Den Helder.) Die prachtige etalages gewijd aan de Finals zijn me dus niet ontgaan, maar ik wil eigenlijk ook wel eens weten hoe de aankomende serie tussen de Lakers en de Magic hier in de winkel wordt ervaren. Ik laat her en der vallen dat ik voor Netherlands television commentaar zal gaan geven (“trots als een aap met zeven lullen”, zou Bram Brakel zeggen), in de hoop dat dat leuke gesprekjes en misschien wel een discount oplevert, want zo Nederlands ben ik dan ook wel weer. Maar ik had net zo goed kunnen melden dat ik verslag kom doen van het Wereldkampioenschap verspugen om een hoekje. Veel meer dan “really?’ of “wow” komt er niet uit. Eén vrouwelijke winkelbediende weet wel te vertellen dat er veel gebeld wordt voor informatie over Lakers-spullen, maar dat dat eigenlijk altijd wel zo is. Als ik haar vraag of er nu ook veel belangstelling is voor Magic-spullen, verwringt ze haar gezicht in één groot vraagteken. Een andere verkoopster verwijst me naar de concierge bij de ingang, en die geeft me een telefoonnummer dat ik mag bellen voor een officiële reactie. Ach, laat maar zitten ook. Verkopen jullie maar lekker al die spulletjes, want dat doen jullie goed.

Allen Iverson is in de uitverkoop. Maar dat wisten we al.

‘s Middags mijn New York Tour deel twee. Times Square mag natuurlijk niet worden overgeslagen. Madison Square Garden ook niet. Waar van de Knicks natuurlijk natuurlijk geen spoor te bekennen valt, want allen met de bips op de Bahamas of zo. Het enige teken van basketball-leven is het opduiken uit het onder de Garden gelegen Penn Station van de 2.03 meter lange Anne Donovan (47), winnares van gouden Olympische medailles in 1984 en 1988 als speelster en in 2008 als hoofdcoach in Beijing, en nu merkwaardig genoeg assistent-coach bij de dames van de New York Liberty, die over een paar dagen aan het WNBA-seizoen beginnen. Zie je het al voor je? Mike Krzyzewski als assistent-coach bij de New York Knicks? Nu heeft Krzyzewksi de verleiding van de NBA nog altijd kunnen weerstaan ten faveure van het college- en Olympisch basketball, maar als hij de stap al zou maken, dan zeker niet als assistent-coach. Anne Donovan dus wel, en dat zegt veel over haar bescheidenheid (die Krzyzewski ook niet ontbeert trouwens) en haar goede banden met de dames van het Liberty-management, met wie zij altijd al een groepje Jersey girls vormde. Via Greenwich Village en Soho zak ik af richting Financial District, waar ik eerst in Battery Park het monument van de stichting van New Amsterdam bewonder, alsook “The Sphere” van Fritz Koenig, een sculptuur in de vorm van een gouden bol, die zich oorspronkelijk in het World Trade Center bevond en nu als zwaar beschadigd monument de herinnering aan de aanslagen op 11 september 2001 levend houdt. Na een blik geworpen te hebben op het Vrijheidsbeeld op Ellis Island, dat van hier af wel erg klein lijkt, wandel ik via de South Street Seaport (de prachtig gerestaureerde, intieme oude havenbuurt onder de rook van de wolkenkrabbers van de bankers en de stockbrokers) en Wall Street naar Ground Zero, waar inmiddels de basis is gelegd voor het nieuwe World Trade Center. Het is regenachtig en grijs, felle lampen verlichten de bouwwerkzaamheden die maar moeizaam te zien zijn, en langs de randen van deze pijnlijke wond in de geschiedenis van de vrije westerse wereld staan talloze brandweer- en politiewagens opgesteld met werkende zwaailichten, geflankeerd door FDNY- en NYPD-mensen die hier de wacht lijken te houden. Als vanzelf beginnen de de apocalyptische beelden en geluiden, die ik zo vaak op televisie zag, door mijn hoofd te spoken. Onvoorstelbaar wat hier allemaal is gebeurd. Het is inmiddels een uur of acht ‘s avonds en omdat mijn rug niet zo heel blij blijkt te zijn met de talloze wandelkilometers van gisteren en vandaag, pak ik de metro terug naar huis. Heb nog wat slaap in te halen ook. Morgen verder. DONDERDAG 4 JUNI 2009: "KOBE BRYANT SENDS EMOTIONS THROUGH ME" Bericht van Ronald (vanuit LA) Wow. Zag je die blik in de ogen van Kobe Bryant!? Dat is een man met een missie. 40 punten, 8 rebounds, 8 assists, de 46e speler in de geschiedenis met 40 punten of meer in de NBA Finals. Orlando, wakker worden voor het te laat is. Zo goed als de Lakers in het tweede en het derde kwart van de eerste wedstrijd spelen, zo moeizaam verloopt onze uitzending. De kijker thuis zal er weinig van hebben gemerkt, maar onze immer standvastige producer Wendy belt zich suf om alle technische tegenslag op te lossen. Problemen met de satelliet, heel veel problemen, laten het we zo maar zo samenvatten, waardoor er in Los Angeles en Amsterdam (Sport 1) een hoop stress is. Overigens hebben alle ‘internationale’ broadcasters op locatie er last van. Maar analist Cees en ondergetekende doen alsof er niets aan de hand is, en we zijn na afloop blij met ons commentaar. ‘Dat ging lekker’, roepen we in koor. En dat zullen de Lakers ook wel hebben gedacht. Ze heersen in de rebound (55 om 41), houden Orlando onder de dertig procent schot (een nieuw ’record’ in de NBA Finals) en Dwight Howard (1 uit 6) krijgt niet eens de kans om een keer te dunken. Defense met een hoofdletter D. Stan Van Gundy klaagt na afloop over een gebrek aan ‘effort and energy’ bij zijn spelers. Werk aan de winkel, coach. Cees vraagt zich af of het wel verstandig is geweest om Jameer Nelson zo veel te laten spelen. De guard heeft sinds 2 februari geen wedstrijd meer gespeeld door een schouderblessure. En hij krijgt in het tweede kwart meteen twaalf minuten. Nelson lijkt zoekende, maar dat geldt voor heel Orlando. De Lakers zijn er klaar voor, de Magic niet. Voor de wedstrijd zijn we nog even getuige van een mooi moment. Dwight Howard omhelst de legende Bill Russell. Magic-assistent Patrick Ewing staat er ook bij. Drie generaties centers in de NBA. Cees maakt gauw een foto. Toch bijzonder om van zulke momenten getuige te mogen zijn. Bericht van Frank (vanuit New York) Was de blik tot nu toe gericht op het zuiden van Manahata, nu ga ik de noordelijke helft verkennen van dit ooit volledig bosachtige eiland. (Hoe zouden de Indianen die hier bijna 400 jaar geleden woonden, reageren als ze zouden kunnen zien hoe hun lapje grond is volgebouwd met al die uit hun krachten gegroeide stalen en bakstenen tipi’s?) Over bosachtig gesproken: het is behoorlijk weer - graad of 20, af en toe komt het zonnetje er lekker doorpiepen – en ik ga eens een fijne wandeling maken door de lungs of the city, ofwel Central Park. Wauw. Als je hier bent, glijdt prompt alle overweldigende stedelijke bedrijvigheid van je af. Wat een fantastisch park! (Het Vondelpark kan er een keer of zes in, schat ik.) Overal zijn mensen bezig met wandelen, fietsen, joggen, basketballen, schilderen, op het gras liggen, eten, drinken, hondsbrutale eekhoorntjes voeren en al wat dies meer zij. Kortom: met ontspannen. En er is meer dan genoeg ruimte voor iedereen.

Rucker Park, playground of legends.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik halverwege het park begin en dan naar het noorden loop. Richting Harlem, dat “boven” het park begint en waar mijn volgende reisdoel ligt. Als ik na een paar uurtjes van 81st Street, waar ik het park inkwam, ben opgeschoven naar de noordgrens ter hoogte van 110th Street, pak ik toch echt de metro om 155th Street in noordelijk Harlem te bereiken, waar ik nu naartoe wil. Daar ligt het befaamde Rucker Park, dat – naast een speeltuintje en een honkbalveld – het basketballpleintje behelst waar ooit Rafer “Skip (To My Lou)” Alston letterlijk en figuurlijk groot werd, en waar zelfs Kobe Bryant een jaar of zes geleden een keer opdook om een potje te ballen. En laat die twee meneren nou net tegenover elkaar staan in de NBA Finals! Als ik uit de subway kom, merk ik dat hier toch een iets andere sfeer hangt dan way downtown. Dit is Harlem, en wel een gedeelte dat qua oogstrelendheid en veiligheid een mager zesje krijgt. (Overdag dan.) Maar wel een buurt waar wordt geleefd, en waar sfeer hangt. Als ik over een enorme voetgangersbrug ben gelopen, tussen een paar woonwolkenkrabbers door die je kunt vergelijken met twee op elkaar gestapelde en vervolgens diepdonkerbruin geschilderde Bijlmerbajestorens, zie ik beneden in de diepte Rucker Park al liggen. Ik daal een trap af om het pleintje te kunnen bereiken en merk iets dat ik eigenlijk al wist: dat het aantal bleekscheten, waaronder ik, hier op de vingers van één hand te tellen is. En die andere vier zie ik even niet. Ik weet niet precies wat te verwachten, maar gedreven door mijn nieuwsgierigheid loop ik richting basketballveldje, waar een handjevol mannen en jongens balletjes aan het schieten is en een ander handjevol het kleine tribunetje bevolkt. En begin foto’s te maken van deze beroemde playground. Zo op het oog niet bijzonderder dan het veldje op het Museumplein in Amsterdam, afgezien van de aanwezigheid van de tribune dan misschien. Maar je voelt de geschiedenis van het groen en rood geschilderde asfalt afspatten, en letterlijk van de verweerde, mintgroen en felgeel geschilderde stands. Dit is de plek waar meer dan vijftig jaar geleden gemeenteambtenaar Holcombe Rucker begon met het organiseren van basketballtoernooien, met als bijbedoeling kinderen te inspireren hun school af te maken. Na zijn dood zetten twee van zijn pupillen het befaamde “Each One Teach One”-programma op, dat basketballgroten als Wilt Chamberlain, Julius “Dr. J” Erving, Kareem Abdul-Jabbar en pleintjeslegenden als Earl “The Goat” Manigault en Joe “The Destroyer” Hammond naar Rucker haalde om voor nog meer inspiratie voor de jeugd te zorgen. Al snel werd Rucker een broedplaats voor NBA-talent, voor nieuwe en spectaculaire basketballmoves en zelfs voor de hiphopcultuur. Ik ga een tijdje op de tribune zitten om de ballers gade te slaan, en als een vijftiger en een jonge jongen klaar zijn met de één-tegen-één-potjes waar ze volgens mij al een aardig tijdje mee bezig zijn, raap ik mijn moed bij elkaar en spreek ze aan. Ik zeg dat ik een journalist uit Nederland ben en vraag ze naar hun verwachtingen van de Finals tussen de Lakers en de Magic. Die vraag lokt een paar fantastische glimlachen uit, alsmede een langdurig en geanimeerd gesprek. Hoezo was hier moed voor nodig? Basketball is een internationale taal. De vijftiger blijkt Hassan Malik te heten en balde, in de tijd dat hij nog onder zijn geboortenaam Ricky Murray door het leven ging, voor North Carolina Central. Hij vertelt een prachtig verhaal over eerdergenoemde Joe “The Destroyer” Hammond, die hier ooit met zijn Millbank-team een potje moest ballen tegen een ploeg met Julius Erving in de gelederen. Joe kwam pas in de rust opdagen, maar droeg in de tweede helft wel doodleuk 58 punten bij aan de overwinning van Millbank. Dr. J. kwam zelf overigens niet verder dan een punt of 53, 54, in twee helften tezamen wel te verstaan. Tegenwoordig gaat het niet zo goed met Hammond, weet Malik. “You can see him sometimes over at Burger King at 125th Street. He’s doin’ drugs and all that.”

Malik heeft zelf trouwens ook wel het één en ander meegemaakt, te zien aan het enorme litteken dat over zijn wang loopt, van zijn linkermondhoek naar zijn linkeroor zo’n beetje. Hij vertelt dat er vandaag geen wedstrijdjes zijn op Rucker Park, maar dat op 15 juni weer het jaarlijkse streetball-toernooi begint. Helaas ben ik dan niet meer in New York, maar hopelijk op doorreis van Orlando naar Los Angeles.

De jonge jongen stelt zich voor als Kevin Walker en vertelt dat hij afgelopen seizoen freshman shooting guard was in de basketballploeg van Virginia Union. Later blijkt dat ik òf zijn naam niet goed heb verstaan, òf dat hij wel erg fresh is, want ik kan op internet niets over een Kevin Walker van Virginia Union terugvinden. Hoe dan ook droomt Kevin de droom van het bereiken van de NBA, of anders een mooie basketballcompetitie overseas. Hij beheerst trouwens een prachtige imitatie van het hupje dat Rafer Alston af en toe in zijn dribble verwerkt, en dat de man de bijnaam Skip opleverde. Hassan begint spontaan het liedje te zingen waar vroeger de meisjes op touwtjesprongen: skip to my lou, my darling… Als ik Kevin vraag wie zijn favoriet is voor het winnen van de Finals, kan hij geen uitsluitsel geven. Hij twijfelt. Kobe is ridiculous, zegt hij. En dan bedoelt hij natuurlijk niet belachelijk, maar belachelijk goed. Maar: Orlando has great defense. Hassan twijfelt niet: Orlando wordt kampioen. Die ploeg heeft niet voor niets LeBron en de Cavs vernietigd. Overigens denkt hij wel dat LeBron (“that guy just did not go through natural evolution”) in de toekomst alsnog kampioen zal worden. “He’s a great player. But nobody’s gonna give it to him. He has to earn it.” Over Mo Williams is Hassan duidelijk: “That guy is a fluke. Who had ever heard of Mo Williams before this year? He just wasn’t ready to take on the pressure.” Het wordt tijd om verder te gaan. Maar ik ben blij dat ik hier ben geweest. Dit is zeer heilige basketballgrond. Bevolkt door prachtige mensen die voor een intense atmosfeer zorgen. Mooi te zien ook hoe sterk de sociale controle is. Everbody’s looking out for each other. Geen bemoeizucht, maar pure medemenselijkheid. Die bemerk ik ook als ik met de metro weer ben afgezakt naar de als veiliger te boek staande 125th Street. Dat is de straat die ooit de onafgebakende scheidslijn was tussen het betere en het “mindere” gedeelte van Manhattan, een scheidslijn die je als meer welgestelde blanke of zwarte niet overschreed als daar geen absolute noodzaak toe was. Op de kruising van deze straat met Malcolm X Boulevard pak ik in een Starbucks-filiaal mijn zoveelste Caramel Macchiato (met Chocolate Indulgent Cookie deze keer). Als ik dat heerlijks bijna op heb, vraagt een oudere meneer, die zo op het oog net als Hassan Malik al veel van het leven heeft gezien, of hij op die vrije stoel aan mijn tafeltje mag komen zitten. “Of course”, zeg ik. Eerst legt hij een vettig plastic tasje op tafel neer, waar een bak eten in blijkt te zitten die hij zojuist van een ober van een naburig restaurant voor noppes heeft meegekregen. “Daar ga ik normaal liever niet op in,” zegt hij verontschuldigend, hoewel ik het sterke vermoeden heb dat dit niet de eerste keer is. Vervolgens vraagt hij me tot mijn verrassing of hij me op een bak koffie mag tracteren, maar ik wijs beleefd op mijn Caramel Macchiato. Als hij na tien minuten van bestellen, in slow motion rondschuifelen en heerlijk op zijn elfendertigst suiker door zijn koffie roeren definitief aan mijn tafeltje komt zitten, ontspint zich al net zo’n fantastisch gesprek als een uur eerder op Rucker Park. Terry, zoals hij blijkt te heten, is 67 jaar oud, heeft suikerziekte (waar hij overigens wel medicijnen voor krijgt) en is vast van plan rustig aan te doen “and enjoy whatever time I have left”. Hij praat overdacht en al even langzaam als hij beweegt. “I just look at things, you know. I look at life passing by.” Niet alles wat hij zegt, begrijp ik helemaal, maar over het algemeen spreekt hij even simpele als geweldige waarheden. Nadat hij zijn gratis maaltijd heeft gedeeld met een brother die een behoorlijk stuk zweveriger is dan hij (na het eerst weer netjes aan mij te hebben aangeboden), vertelt hij dat het nog niet zo lang geleden ondenkbaar was dat hij en ik hier zo gezeten zouden hebben en elkaar de hand geschud zouden hebben. “There was a lot of anger. There was anger in me too. Gotta be honest. But you know, the anger has gone.” Waarheen dan, vraag ik hem. Hij zucht en kijkt een paar minuten naar buiten. Hij weet het niet. “Things have just changed, you know.” Heeft de komst van Obama iets veranderd voor hem? “No, that hasn’t changed anything for me. The change came before that.”

Terry

Ik vraag hem of hij de NBA volgt. Af en toe kijkt hij wel een wedstrijd zegt hij. En de Lakers kent hij ook wel. “Kobe Bryant sends emotions through me. Because he’s such a great player, but also because he’s not perfect and will sometimes miss a shot. But when you miss a shot, you know, you just come back and try again. That’s what I did in the old days. Never played for a team, but liked to take those shots.” Dat de Lakers in de Finals staan, is hem trouwens ontgaan. En de aanwezigheid van de Magic daarin al helemaal. “What? Magic Johnson is playing in the Finals?” Nee, zeg ik, die is iets te oud en te traag nu. Van de Orlando Magic heeft hij nog nooit gehoord. Het zij hem volledig vergeven. Hij weet weer andere dingen die heel belangrijk zijn. Na een uur praten vraag ik hem of ik een foto van hem mag maken. “Of course”, zegt hij. “Why would I mind? I’m sitting here being myself, you are sitting here being yourself. This is pure, you know. I’m not pretending to be somebody I’m not, and neither are you. Of course you can take my picture.” Ik neem afscheid, want ik moet weer terug naar mijn hotel. It’s game time tonight! Ik had nog veel langer met Terry willen praten, maar ik zeg tegen hem dat ik hoop dat ik hem nog een keer tegenkom. “Hope so too”, zegt hij. “No problem finding me here at Starbucks.” Ik geef hem een hand. “Allright man. I’ll come looking for you.” Tegen negenen begeef ik me naar een bar vlakbij mijn hotel, waar ze naar goed Amerikaans gebruik een hoop televisieschermen hebben hangen. Op de helft daarvan is de vierde wedstrijd van de Stanley Cup-finale te zien tussen de ijshockeyende heren van Pittsburgh en Detroit. De meeste aandacht van de aanwezige bargangers gaat allereerst uit naar de drank en de eigen gesprekspartners, daarna naar de strijd tussen de Penguins en de Red Wings (Penguins winnen en brengen de serie op 2-2), en tot slot is er een enkeling die de blik gericht heeft op het openingsduel tussen de Lakers en de Magic. Ik ben één van die enkelingen. Het geluid staat uit, maar dat heb ik ook niet nodig om te zien dat Kobe Bryant de wedstrijd naar zijn hand zet, en dat Jameer Nelson het moeilijk heeft na vier maanden afwezigheid. Hetgeen volgens mij ook weer zijn weerslag heeft op Rafer Alston, die nu speeltijd moet inleveren. Ook is duidelijk dat Superman behoorlijk vleugellam is vandaag. Als ik twee Indian Brown Ale en een goeie Classic Burger heb weggewerkt, is het rust. Ik bekijk de tweede helft op mijn hotelkamer, maar ben zo moe dat ik de laatste vijf minuten van deze blowout niet meer bewust meemaak. Na twaalven komt mijn Amerikaanse vriend Roger Daniels binnen, die eigenlijk gisteren al zou komen om een paar dagen met me in New York door te brengen, maar eerst nog werk moest afmaken. De wedstrijd heeft hij nu ook gemist, maar hij is tevreden te horen dat de Lakers het eerste duel hebben gewonnen. Niet dat hij een Lakerfan is (integendeel, zijn hart pompt Celtic-groen bloed door zijn aderen), maar hij redeneert dat als de Lakers de eerste twee duels winnen, Orlando er vervolgens in eigen huis wel voor zal zorgen dat er minimaal een zesde wedstrijd komt en ik daardoor ook nog naar Los Angeles mag. Is dat niet aardig van deze aanhanger van de grootste rivaal van Purple and Gold? Enfin, we zullen zien. Met twee wedstrijden in Orlando zou ik de koning al te rijk zijn. Uiteraard hoop ik op drie in Florida en nog twee in Californië, met een buzzerbeater aan het eind van de vierde verlenging van wedstrijd zeven. Ik zeg niet van wie. Na nog een uurtje of twee bijgepraat te hebben in de hotellobby (ik zag Roger voor het laatst toen ik vorig jaar in de States was voor de eerste twee wedstrijden tussen de Celtics en de Lakers) ga ik om half drie naast mijn bed staan en stort vervolgens heerlijk en volledig in. VRIJDAG 5 JUNI 2009: INBETWEEN DAY Bericht van Frank (vanuit Springfield, Virginia) Niet veel te melden vandaag. Om vier uur gaan we met de bus van New York naar Roger’s woonplaats Springfield in Virginia, een voorstad van Washington DC in feite. Maar we beginnen de dag in New York, waar het continu regent. Daarom zijn we veel binnen. In een Italiaanse tent om te ontbijten, in de NBA Store om nog wat spulletjes aan te schaffen en in Starbucks bij Radio City Hall om nog wat te drinken en te eten. Koffers en spullen nog ergens zien te stallen in de buurt van Madison Square Garden, waarvandaan de bus zal vertrekken, kost ook al heel wat tijd. De dag gaat snel om. In de namiddag stappen we in de bus en zijn zo’n vijfeneenhalf uur later in Chinatown in Washington DC. Vierhonderd kilometer met de bus voor 20 dollar de man. Als je er op tijd bij bent, zijn er soms zelfs kaartjes van een dollar te krijgen. Non-refundable, dat wel. Nog een half uur met de metro, tien minuutjes met de auto en dan zijn we in Springfield. Om een uur of elf nog wat eten bij het drukbezochte restaurant T.G.I. (Thank God It’s) Friday – wat het toevallig ook is vandaag – en dan zit de dag er al weer op. Morgen nog een dagje ontspannen, en dan op naar Orlando.

ZATERDAG 6 JUNI 2009: HOMERUNS EN STROOMVERSNELLINGEN Bericht van Ronald (vanuit LA) Lekker hoor, twee dagen vrij tussen de eerste twee wedstrijden. Dat heeft de NBA toch maar fijn bedacht. En dus zitten we op een zonnige zaterdagmiddag in Dodgers Stadium voor de honkbaltopper tussen de Los Angeles Dodgers en de Philadelphia Phillies, de regerend kampioen. Toen ik in 1991 voor het eerst naar Amerika ging (voor het magazine American Sports, de ouderen onder u zullen zich dat blad op groot formaat nog wel herinneren) was de eerste honkbalwedstrijd die ik bezocht er ook een van de Dodgers. Die hebben dus een speciaal plekje in mijn (sport)hart. Vóór de wedstrijd shoppen producer Wendy, analist Cees en ondergetekende zich Dodger Blue in de fanshop. Zo schaf ik mijzelf een t-shirt aan van Andre Ethier, de nummer 16 van de Dodgers, een buitenvelder en een aardige slagman. Dat laatste bewijst hij deze wedstrijd wederom. Net als op vrijdag tegen de Phillies (toen een rbi double, zoals dat zo mooi heet, in de negende inning) beslist Ethier het duel. Dit keer met een solo-homerun in de twaalfde inning bij de stand 2-2 op Phillies werper Chad Durbin. Bye bye! Na de wedstrijd is er nog alle tijd voor een mooie autorit over Mulholland Drive (bekend van de gelijknamige film van David Lynch) door de heuvels van Hollywood. De moeite waard, al was het maar vanwege het waanzinnige uitzicht over de Stad der Engelen. Via Beverly Hills (leuke huisjes) belanden we op Sunset Boulevard om de dag waardig af te sluiten met een al even waardige maaltijd bij Tony’s on the strip. Nog even terug naar de vrijdag. In Staples Center nemen we met de trainende Lakers – die hebben een hoop lol – op de achtergrond de stand-upper voor wedstrijd twee op. Een ouderwetste one-taker, altijd fijn. Daarna draaien we leuke interviewtjes met Brian Shaw (over het fenomenale spel van Kobe in Game 1), Courtney Lee (over hoe je dolgedraaid kan worden door je tegenstander, ene Kobe Bryant), Marcin Gortat (over hoe het is om de eerste Pool in een NBA Finals te zijn) en ook nog met Anthony Johnson, de back-up pointguard van Orlando die door de terugkeer van Jameer Nelson geen minuut heeft gespeeld. Ik moet zeggen: hij blijft diplomatiek in zijn antwoorden, zelfs als ik hem vraag wat Nelson heeft gedaan in Game 1 wat hij niet had kunnen doen. Die interviewtjes gaan we lekker wegstarten in wedstrijd 2 die vandaag op het programma staat. Morgen vliegen Cees en ik al weer terug, dus is dit ook meteen mijn laatste ‘Finals blog’. Tot whenever… Bericht van Frank (vanuit Springfield, Virginia) Rustig aan vandaag. Eerst kennismaken met het dakloze gezin (moeder, dochter en twee zoons) dat tijdelijk in Roger’s huis logeert, naast de twee pleegzonen die hij al permanent onderdak biedt. Als hij over twee jaar met pensioen gaat, wil hij al zijn tijd en energie gaan steken in het vinden van behuizing voor dakloze gezinnen. Op dit moment al is hij bezig te proberen de moeder en haar kinderen onder te brengen in een leegstaand huis bijna recht tegenover het zijne. Toen ik hier vorig jaar juni was, zag ik er nog een “te koop”-bord in de tuin liggen. Inderdaad: liggen. Het vertrouwen dat het huis verkocht zou worden, was toen kennelijk al niet echt groot, maar nu heeft men het bord maar helemaal weggehaald. Economen mogen dan tekenen van herstel zien, dat is in de straten van Amerika zeker niet altijd het geval. Ik vind het even logisch als bewonderenswaardig dat Roger probeert een leegstaand huis bewoond te krijgen, en dat hij dat over een tijdje op veel grotere schaal wil gaan doen. Overigens absoluut niet om er zelf beter van te worden. De regen is na gisteren kennelijk op. Het is prima weer, een graad of 25, en rond het middaguur rijden we naar Roger’s broer David en diens vrouw Anita, die in een andere buitenwijk van Washington wonen. Vorig jaar heb ik het centrum van de stad al uitgebreid gezien en bovendien heb ik hier nu maar één dag, dus we besluiten met Roger’s neefjes Nathan en Chris een wandeling te gaan maken in een natuurpark langs de Potomac-rivier, en de daarin gelegen Great Falls te bewonderen. Chris wordt morgen 14 en is een talentvolle pointguard. De zestienjarige Chris, die mij in één jaar tijd heeft ingehaald en van 1.85 meter naar 1.93 is gegroeid (de teller zal naar verwachting stoppen bij 2.03), is een center/power forward die zijn power (en drive) nog moet vinden. Hij twijfelt of hij wel competitief wil basketballen, maar als hij dat gaat doen, en merkt wat zijn lengte voor hem kan betekenen, zou hij wel eens een heel goeie basketballer kunnen worden.

Great Falls

De Great Falls zijn uitgestrekte watervallen, of eigenlijk is het meer een enorm krachtige stroomversnelling die het water over de rotsen smijt richting Washington DC. Prachtig heuvelachtig bosgebied eromheen, dat een enorme biodiversiteit kent. In de twee uur dat wij er langs paden en rotsen struinen, zien we onder meer slangen, haviken, reigers, aalscholvers, spechten en bontgekleurde vlinders. ’s Avonds nog even met Roger naar trendy Georgetown, waar ook de universiteit ligt die basketballers afleverde als Patrick Ewing Sr. en Patrick Ewing Jr., Allen Iverson, Alonzo Mourning en Dikembe Mutombo. Daarna naar huis en naar bed. Morgen vroeg weer op om het vliegtuig te pakken naar Orlando. ZONDAG 7 JUNI 2009: DE PIJN BIJ COURTNEY LEE Bericht van Frank (vanuit Orlando) ‘s Ochtends met JetBlue van Washington Dulles Airport naar Orlando, Florida. Waar het warm is, zo’n 29 graden, en altijd drukkend. ‘s Ochtends zon, ‘s middags wolken en een fikse donderbui en ‘s avonds weer zon, dat is zo’n beetje de vaste routine. Ton Boot, die samen met mij vanaf wedstrijd drie commentaar zal geven, komt halverwege de middag aan. Halve dag onderweg geweest want vanuit Amsterdam via Detroit naar hier gevlogen. Waar de Sport1-crew in Los Angeles klaarblijkelijk in een heel fijn hotel zit, is het hier Orlando ook niet mis. Helemaal niet zelfs. De NBA heeft ons ondergebracht in het “Orlando World Center Marriott Resort”, een hotel zo groot en luxe dat het nauwelijks nog een hotel te noemen is. Waar hebben we dit aan verdiend? Dat is mijn eerste gedachte als ik binnenloop. Nou ja, lekker ontspannen naar de wedstrijden kunnen toewerken is natuurlijk ook wel fijn. Ik zal maar niet gaan vragen of we overgeplaatst kunnen worden.

Vier van de 24 schermen sport in de sportbar.

Want ja, ze hebben wel het één en ander in deze grootste Marriott-vestiging ter wereld. Golfbaan, zwembaden, wellnessgedoe, fitnesstent, tennisbanen, volley- en basketballvelden, vergaderzalen, conventiecentrum, zes restaurants, sportbar met 24 televisieschermen, Starbucks-filiaal (heel belangrijk!), winkels. En o ja, ook nog hotelkamers. Ruim tweeduizend stuks. Jammer is wel dat je een beetje het gevoel krijgt dat je een week in een winkelcentrum moet gaan doorbrengen in plaats van in een intiem hotel. Maar ach, dat zal ook wel weer wennen. Voorlopig ben ik binnen tien minuten de weg kwijt en kost het me een paar uur om door te krijgen wat waar is en waar wat. En waarom. Koffiedrinken met Ton (dame achter de counter: What’s your name? Ton: “My name is Tony”), uurtje zwemmen, samen dineren in één van de steakhouses hier en dan tegen achten naar die fantastische sportbar om op twaalf van die 24 televisieschermen naar wedstrijd twee van de NBA Finals te kijken. Helaas blijkt er geen vertoning te zijn van de wedstrijd voor de Magic-fans in de Amway Arena, anders hadden we daar zeker heen gegaan. Maar hier in de sportbar wordt ook hard genoeg geschreeuwd voor de Dwight Howard-boys, zij het zonder resultaat. Mooi eind aan de wedstrijd, dat wel. Hedo Turkoglu die de boel in het vierde kwart overneemt en bij 88-88 – met nog een seconde te gaan – Kobe Bryant volkomen clean en van achteren blockt, Courtney Lee die 0.4 seconde later in mid-air zijn buzzerbeater er nèt niet in ziet gaan, Kobe die in de verlenging de Lakers definitief op voorsprong zet, Rashard Lewis die nog een fabuleuze driepunter binnengooit en de Lakers die de deal sealen vanaf de vrije worplijn. Maar o, wat waren die van de Magic dichtbij een upset deze keer. Maar o, daar koop je natuurlijk niks voor, want de Lakers staan na twee duels in LA “gewoon” op twee tegen nul. Comin’ up: minimaal twee en maximaal drie games in Orlando. Over een eventuele terugkeer naar Los Angeles zullen we het voorlopig nog maar niet hebben. MAANDAG 8 JUNI 2009: "EVEN IF KOBE HAD TO GARD YAO MING, HE WOULD HAVE TRIED TO DO IT" Bericht van Frank (vanuit Orlando) Ja, we zijn hier nu wel, maar werken kunnen we nog niet. Het hele circus in Los Angeles stapt nu op het vliegtuig, of hangt al in de lucht onderweg naar Orlando. En dus gaan Ton en ik rustig aan ontbijten, en hou ik me daarna bezig met hardlopen rond een deel van de golfbaan en nog een uurtje plonzen in het zwembad. Beneden in de food court spreekt een vrouwelijke hotelmedewerker me heel aardig aan en vraagt waar ik vandaan kom. “I’m from The Netherlands.” Hmm, weinig sjoege. “They also call it Holland.” Ze schudt zeer weifelend het hoofd. “And I live in Amsterdam. That’s the capital.” De stilte wordt pijnlijk. Ze stapt gauw over op een ander onderwerp. What are you here for? Als ik haar uitleg dat ik commentaar ga geven bij de NBA Finals, tsjirpt ze: Well, I hope your team wins. Ik weet bijna zeker dat deze mevrouw onlangs met haar vent – ik zie een uit de kluiten gewassen Redneck voor me – een hoge notering heeft gehaald op het Wereldkampioenschap Domme Blondjes Werpen. Vergeef me mijn seksisme. “I’m a journalist”, zeg ik. “I’m not with a team.” En dan maakt ze haar slimste opmerking van de hele dag. Well, then I hope the best team wins! En hoewel ze geen idee heeft dat Orlando een basketballploeg heeft die Magic heet en dat daar allemaal hele grote meneren in rondlopen die heel goed een grote oranje bal door een ring met een netje kunnen gooien, kan ik het alleen maar volledig met haar eens zijn. Er staat een nieuwe klant voor haar te wachten en ik ga gauw verder. Ik hoop voor haar dat hij niet uit Berlijn komt.

Ik ben er inmiddels achter dat dit hotelcomplex nog veel groter is dan ik al dacht. Het conventiecentrum alleen al is zo’n beetje de helft van de RAI in Amsterdam en er blijkt ook nog een compleet bungalowpark bij de golfbaan te huizen. Maar ja, alles moet hier nu eenmaal groot, groter en grootst. De plaats Orlando zelf is dat trouwens niet, want in de stad zelf wonen nog geen 200.000 mensen. Maar alles draait om de attracties in dit toeristische gebied ten zuidwesten van de stad, waar je met gemak al je spaargeld zou kunnen dumpen in Disney World, Sea World, Universal Orlando, een hele rits waterparken en alle faciliteiten die men daaromheen heeft gebouwd in deze